Senaat houdt debat over loonkloof

26/03/2021

Maart staat in het teken van de gelijkheid van vrouwen en mannen, ook in de Senaat. Zo hield het adviescomité voor gelijke kansen van vrouwen en mannen meerdere hoorzittingen rond de loonkloof.  Op vrijdag 26 maart werd het debat verplaatst naar de plenaire zitting. Tijdens dit debat benadrukte Sabine de Bethune dat een multidimensionale aanpak noodzakelijk is om deze problematiek op te lossen.

Op donderdag 25 maart 2021 was het namelijk Equal Pay Day. Dit wil zeggen dat vrouwen moesten werken tot op 25 maart 2021 om hetzelfde loon te verdienen als de gemiddelde mannengroep in ons land in 2020. Vrouwen moesten hiervoor dus 80 dagen meer werken! Deze loonkloof raakt het dagelijkse leven van de helft van de bevolking  en heeft in het bijzonder effect op de financiële autonomie van vrouwen.

Vandaag staan we dan ook op een belangrijk kantelpunt aangezien het een prioriteit is op Europees en op Belgisch niveau.

Show us the money !

Lees hieronder de volledige tussenkomst met een overzicht van de cijfers, de oorzaken en de multidimensionale aanpak die noodzakelijk is :

Debat over de loonkloof (art. 18-4bis van het Reglement)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V) – ik vind het heel terecht dat de Senaat vandaag het debat houdt rond de problematiek van gelijk loon.

Ik wil ook heel uitdrukkelijk onze voorzitster van het adviescomité voor Gelijke Kansen, Latifa Gahouchi, bedanken voor haar gedrevenheid en vastberadenheid.  Ze maakte er een punt van eer van dat we dit debat zouden kunnen voeren en dat de werkzaamheden van het adviescomité ook in die richting zouden worden georganiseerd.  De grote lijnen van het verslag en de aanbevelingen staan op papier en dit debat zal bijdragen tot het finaliseren van het erg interessante werk dat we samen hebben gedaan.

Waarom is het terecht dat we dit debat voeren, een debat dat een groot deel van de Belgische bevolking aangaat? Waarom was het gisteren in ons land Equal Pay Day, de dag van het gelijk loon ? Omdat het gemiddeld jaarloon van vrouwen in ons land gemiddeld 23% lager ligt dan dat van mannen. Dat zijn natuurlijk statistische realiteiten, maar dit betekent dat vrouwen, om evenveel te verdienen als mannen in het jaar 2020, moesten werken tot gisteren, 80 dagen meer dan mannen, om hetzelfde loon te hebben als de gemiddelde mannengroep in dit land. Het is een belangrike symbolische datum en het is zeer maatschappelijk relevant dat de Senaat vandaag zich daarover buigt en samen nadenkt over het beleid dat we in die zin moeten voeren.

Wat is de betekenis van die 23% van het gemiddeld brutojaarloon? Het gaat over de middelen waarover vrouwen gemiddeld beschikken. Dat wil zeggen dat de vrouwengroep in dit land over 23% minder financiële middelen beschikt dan de gemiddelde mannengroep, ongeacht het aantal gewerkte uren, ongeacht de sector, diploma, leeftijd of andere indicatoren. Het gaat over money in the pocket waarover men beschikt. We weten allemaal wat financiële autonomie betekent om niet alleen een eigen leven, maar ook het leven van een gezin te kunnen waarborgen.

De juiste loonkloof berekenen, is geen sinecure. Als we de berekening willen maken, niet op basis van het brutomaandloon, maar op basis van het bruto-uurloon en we kijken naar de officiële statistieken van Statbel, die men ook goed op de website kan raadplegen, dan zien we dat het laatste cijfer dat daar wordt aangehaald voor de loonkloof per uur, 5,8% bedraagt. Dat is al behoorlijk beter dan een paar jaar geleden, maar dat is toch nog een zeer consistente kloof.

Dit mag ook gezegd worden, we hebben in ons land een goede evolutie meegemaakt de laatste tien jaar. Tien jaar geleden, in 2010, was de loonkloof van het bruto-uurloon 10,2%.

Vandaag zitten we aan 5,8%.  Een serieuze vooruitgang.  Maar de laatste vier jaar hebben we een plateau bereikt en wordt er geen vooruitgang meer geboekt. Dat is dus wel verontrustend.

Het is wel zo dat we door die vooruitgang van de voorbije tien jaar toch wel een andere positie bereikt hebben op Europees niveau. We stonden tien jaar geleden op de tiende plaats, vandaag staan we op de vierde plaats in Europa. De gemiddelde loonkloof per uur in Europa is ruim het dubbele van in België en bedraagt 14,1%. Niet verbazend als we weten dat 17 lidstaten geen enkele maatregel hebben genomen tot nu toe om de loonkloof te dichten.

Toch verloopt het dichten van die loonkloof in ons land nog steeds heel traag.

Ik wil nog enkele cijfers vermelden. In de berekening van de reeds vermelde loonkloof van 23%, die gerelateerd is aan het brutojaarloon, zijn de extralegale voordelen niet opgenomen. Wanneer men die daarbij telt, dan wordt de kloof nog veel groter.

Ik geef een voorbeeld. Op het vlak van extralegale voordelen, zoals de werkgeversbijdrage voor aanvullende pensioenen, is er een kloof tussen mannen en vrouwen van 32,3%. In de vergoeding voor het woon-werkverkeer zien we een kloof van bijna 15%. Bij alle extralegale voordelen zien we zeer belangrijke verschillen tussen vrouwen en mannen. Tellen we die bij de 23% op, dan komen we waarschijnlijk uit bij een loonkloof van zo’n 40%.

Tenslotte kunnen we niet over de loonkloof spreken zonder het over de pensioenkloof te hebben. De pesioenkloof is in ons land nog een heel stuk groter en is natuurlijk het resultaat van de gecumuleerde achterstand die vrouwen jaar na jaar opbouwen. Dat resulteert in hoge cijfers die meebrengen dat ook in ons land 20% van de gepensioneerde vrouwen in de armoede terechtkomt of op het randje van de armoede moet leven. Het is dus een belangrijke problematiek die het dagelijks leven van een groot deel van de bevolking raakt.

Over de oorzaken ervan hebben de hoorzittingen klaarheid gebracht. Elke vier jaar brengt het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen een heel interessant rapport uit, dat ook jaarlijks wordt aangevuld.  In een notendop kunnen we zeggen dat de helft van de loonkloof door een reeks van twaalf factoren wordt verklaard.  De andere helft kan echter niet worden verklaard en gaat waarschijnlijk voor een groot stuk terug op discriminatie, een discriminatie die we absoluut moeten tegengaan.  Rekening houdend met de oorzaken die betrekking hebben op de werkvloer, op de maatschappelijke context en het dagelijks leven, de verdeling van de gezinstaken en op de mentaliteit van de samenleving, beseffen we dat de loonkloof multidimensioneel moet worden aangepakt.  Er moet vanuit verschillende invalshoeken worden gewerkt.

Ik zal niet alle dimensies aanhalen, maar ik pik er enkele uit.

Bijna de helft van de loonkloof zou te wijten zijn aan deeltijds werken.  Het overgrote deel van het deeltijds werk wordt door vrouwen opgenomen.  Tien procent van de werkende mannen werkt deeltijds, van de werkende vrouwen werkt de helft deeltijds.  Mensen kiezen voor een groot stuk voor deeltijds werken om gezin en arbeid te kunnen combineren.  Daarnaast willen echter nogal wat mensen fulltime werken, maar zijn de jobs waarin ze terechtkomen niet als voltijds beschikbaar of te zwaar om voltijds te kunnen uitoefenen.  Dergelijke factoren werpen ook een licht op de manier waarop we de loonkloof moeten aanpakken.  Daarom is het wél relevant om naar de werkvloer te kijken en na te gaan hoe we ervoor kunnen zorgen dat in sectoren waar mensen, hoofdzakelijk vrouwen, nu deeltijds werken omdat het werk voltijds te zwaar of economisch niet rendabel is, wel voltijds kunnen werken als ze dat wensen.  Er moet dus aan de werkvloer worden gesleuteld.  Het gaat daarbij over sectoren die traditioneel vrouwelijk zijn, omdat ze historisch aansluiten bij ‘vrouwelijke’ waarden en skills die te maken hebben met zorg.  Het gaat over de zorgsector, de kinderopvang, de dienstenchequesector, de voedingssector, de distributie,…. Daarover moet structueel worden nagedacht.

Daarnaast is er de combinatie van gezin en arbeid.  Ondanks verandering en vooruitgang wordt vandaag nog altijd het grootste deel van de tijd die daarin wordt geïnvesteerd door vrouwen opgenomen.  De vraag is in welke mate dat een vrije keuze is of een keuze die door de context en de maatschappij wordt gedreven.

Die vrije keuze moeten we dus kunnen waarborgen.  Hoe ? Door in voldoende kwaliteitsvolle gezinsondersteunende diensten te voorzien.  Dat is een echte opdracht voor de gemeenschappen, die daar volop mee bezig zijn.  Dat is al jarenlang in volle ontwikkeling.  Maar ook door te zorgen dat de flexibilisering op de arbeidsmarkt zich kan doorzetten en dat steeds de voltijdse arbeid als maatstaf dient.  In bepaalde sectoren geldt dat men met 38 uren voltijds werkt, in andere is het 37 uren, in nog andere 36 uren.

CD&V is geen voorstander van een lineaire werktijdverkorting.  Dat werkt niet, de werkvloer en de gezinnen zijn niet allemaal op dezelfde maat gemaakt.  Men mag er wel mee experimenteren en zoeken naar methodieken om die flexibiliteit te bevorderen.

Er moet ook gewerkt worden aan de eerlijke verdeling van de extralegale voordelen.  Er moet gewerkt worden aan een beter beheer van de pensioenen.

Tot slot wil ik zeggen dat we vandaag op een kantelpunt staan.  Er is echt een window of opportunity, want de aandacht voor gelijk loon staat uitdrukkelijk in dit regeerakkoord van 2020 en is ook een prioriteit op Europees niveau, door de nieuwe ontwerprichtlijn die een paar weken geleden door de Commissie is voorgesteld.

Wat ons land betreft, zal alvast met spoed moeten worden gewerkt om de Belgische loonkloofwet, de wet van 2012, die op Europees niveau heel sterk gewaardeerd wordt, te versterken.  Het is een wet die niet in sancties voorziet, die nog altijd niet in monitoring voorziet.  We zullen ervoor moeten zorgen dat we die wet tanden geven en dat we een tijdspact hebben om dat concreet te implementeren.

Ten tweede zal ons land zich voluntaristisch moeten inzetten om de nieuwe Europese richtlijn rond loontransparantie Europees tot een goed resultaat te brengen en nadien in eigen land te implementeren, want dat is een hefboom om de loondiscriminatie op de werkvloer aan te pakken en de slachtoffers een instrument in handen te geven om zich te kunnen verdedigen.